Poortloos (audio)

Tekst ontleend aan Jamgön Kongtrul’s advies:
“Reciteer het volgende en onthoud zijn betekenis:

‘De basis is leegte. Het pad is kenmerkloos. De vrucht is wensloosheid.'”

(Bron: Brunnhölzl, Karl : When the clouds part;
the Uttaratantra and its meditative tradition as a bridge between sutra and tantra.
Ithaca 2015, p. 838)

◄║►

Aan jou (Whitman)

Wie jij ook bent, ik vrees dat je de paden van het droomdomein bewandelt,
Ik vrees dat deze veronderstelde realiteiten onder je voeten en handen vandaan zullen brokkelen,
Zelfs nu al ontvallen jou je kenmerken, je vreugdes, spraak, woonplaats, beroep, gewoontes, moeites, dwaasheden, opsmuk en wandaad,
Je ware aard en lichaam tonen zich mij,
Zij treden naar voren uit bezigheden, uit handel, winkels, arbeid, landbouw, aankleding, onderhoud, kopen, verkopen, eten, drinken, lijden, sterven.

Wie je ook bent, laat me nu mijn hand op je leggen, zodat jij mijn gedicht kunt zijn,
Ik fluister met mijn lippen dicht bij jouw oor,
Ik heb vele vrouwen en mannen bemind, maar er is niemand die ik meer bemin dan jou.

O, ik ben laks en nalatig geweest,
Ik had lang geleden al jou moeten bereiken,
Ik had moeten keuvelen over niets anders dan jou, niets dan jou had ik moeten zingen.

Ik zal alles verlaten en jou een loflied komen zingen,
Niemand heeft jou nog begrepen, maar ik begrijp je,
Niemand heeft jou recht gedaan, je hebt jezelf geen recht gedaan,
Eenieder vond jou onvolmaakt, enkel ik vind geen onvolmaaktheid in jou,
Eenieder zag in jou een ondergeschikte, enkel ik ben degene die in jou geen ondergeschiktheid zal dulden,
Ik alleen ben degene die geen meester plaatst boven jou, geen eigenaar, superieur, God, niets hogers dan wat intrinsiek sluimert in jezelf.

Schilders schilderden die volle bijeenkomsten met daarbinnen een centrale figuur,
Zijn hoofd spreidt een gloed van goudkleurig licht,
Maar ik schilder ontelbare hoofden, en elk van die hoofden heeft zijn krans van goudkleurig licht,
Het stroomt uit mijn hand, uit het brein van elke man en vrouw als een eeuwig stralende vloed.

O, wat een grootsheid en glorie zou ik over jou kunnen zingen!
Jij hebt nooit geweten wat je bent, een leven lang sluimerde jij op jezelf,
Je oogleden waren meestentijds vrijwel gesloten,
Al wat je gedaan hebt komt nu bij je terug als karikatuur,
(Je beleid, kennis, gebeden, komen zij niet terug als karikaturen, wat is dan hun terugkomst?)

De karikaturen zijn niet wat jij bent,
Ik zie hoe daaronder en daarbinnen jij je schuilhoudt,
Ik volg je zoals geen ander jou ooit heeft gevolgd,
Stilte, de tafel, de kwinkslag, de nacht, de gevestigde routine, zij mogen jou voor anderen verbergen maar voor mij verbergen ze jou niet,
Het gladde gelaat, de onvaste blik, de vale huid, zij mogen anderen doen wijken maar ik wijk er niet van,
De vrijpostige tooi, de gekunstelde houding, dronkenschap, hebzucht, een voortijdige dood, dit alles schuif ik terzijde.

Er is geen rijkdom in man of vrouw die niet in jou ligt opgeslagen,
Er is geen deugd, geen schoonheid in man of vrouw die niet even goed is als de jouwe,
Geen moed, geen volharding in anderen, of hij is net zo goed als de jouwe,
Geen vreugde die anderen toekomt, of eenzelfde vreugde wacht jou.

Wat mij aangaat, ik geef niemand ook maar iets zolang ik niet bewust jou hetzelfde geef,
Ik zing de liederen van geen mens of God zolang ik mijn lofliederen op jou niet heb gezongen.

Wie jij ook bent! Wat er ook gebeurt, eis jezelf op!
Dat opzichtig theater van Oost of West is maar een tamme onderneming vergeleken met jou,
Deze immense velden, deze eindeloze rivieren, je bent even immens en eindeloos als zij,
Deze furie van elementen, stromen, natuurkrachten, stuiptrekkingen van een onmiskenbaar vergaan, jij bent degene die er de baas of bazin van is,
Baas of bazin op eigen gezag over natuur, elementen, pijn, passie, vergaan.

De ketenen vallen van je enkels, je ontdekt een voorgoed voorzien zijn,
Oud of jong, man of vrouw, rauw, onontwikkeld, afgewezen door de rest, al wat jij bent neemt vorm aan,
Geboorte, leven, dood, begrafenis leveren de juiste middelen, niets wordt verkwist,
Door woede, tegenslagen, ambitie, onkunde, ergernis, baant wat jij bent zich een pad.

Bron:
 Vertalingen / Divers (Walt Whitman)

De geschiedenis van waarheid (Auden)

In een toen waar leven gelijkstond aan geloven,
was waarheid van het vele betrouwbaars het hoogst,
meer basaal, meer aanwezig, dan een gevleugelde leeuw,
een vissenstaarthond of adelaarskopvis, en
laagst nog wij stervelingen, wier dood argwaan wekt.

Waarheid stond model voor het dagelijks bouwen
aan een wereld van dingen die men blijvend gelooft,
zonder te geloven dat kruiken en verhalen,
zuilen en gezang, waar of onwaar zouden zijn:
waarheid voldeed al om waar te zijn.

Dezer dagen waar, praktisch als papierservies,
waarheid wordt vertaald in kilowatt,
moderniseren we dit ambacht tot anti-model,
een onware kreet die elk kind kan weerleggen,
een niets waarvan niemand het bestaan hoeft te geloven.

Bron:
 Vertalingen / Divers (W.H. Auden)

Je hebt gelezen (Rumi)

Je hebt gelezen waar staat dat
geliefden voortdurend bidden.

Eenmaal per dag, eens per week, vijf keer per uur
is niet voldoende. Wij zijn vissen
en hebben de oceaan om ons heen nodig.

Zeggen kameelbellen soms: Laten we elkaar weer zien
op donderdagavond?
Belachelijk. Ze klingelen
samen onophoudelijk,
en praten terwijl hun kameel wandelt.

Ga jij regelmatig bij jezelf op bezoek?
Zoek geen argumenten of een redelijk antwoord.

Laten we sterven,
en stervend antwoord geven.

Bron:
 Vertalingen / Rumi

Jij laatste (Rilke)

Kom maar, jij laatste die ik erken,
heilloze pijn in dit vleselijk weefsel:
zie, het vuur waarmee ik mijn geest verteerde
brandt in jou; lang verzette zich het hout
tegen meegaan met de vlam die jij schiet,
nu echter voed ik jou en brand in jou.
Mijn mildheid hier wordt in jouw woeden
een woede van vreemdste hel.
Heel puur, heel onbekommerd vrij van toekomst
beklom ik de van lijden ontregelde brandstapel,
om niets komends zo te vergaren
voor dit hart van voorraden geledigd.
Ben ik het nog, in dit onkenbare branden?
Herinneringen sleur ik niet naar binnen.
O leven, leven: ruimte zijn.
En ik in lichterlaaie. Niemand die mij kent.

Bron:
 Vertalingen / Rilke

Briefje

De dood is overvloed
ruimte om te dwarrelen
gedragen maar lichtjes
te landen op schouders die
lijden aan huidhars

ogen ontheemd en
handen versleten voor
aankomst al vallen stil
de voeten van vermoeid
starende pelgrims

drijf jouw hart door
bloedbanen van beleving
naar een enkele druppel
waarheid toe te dienen
waar verdwazing kleeft

wij doden ons zorgsgewijs
en onzeker elkaar belastend
door vreugdeloos te vergeten
hoe vitaal ons doorstroomt
oudste kloppendheid

laat de wereld van wrakhout
jou serveren een edeler vlot
zodat kanalen gaan vonken
diep en hoog van vurige volheid
cultuurdwang kalmerend

wie materie teelt
ontmoet destructie dus
vier jouw voorraad vorstengoud
voldoende om te bevruchten
je woeste bodembron.

Bron:
 Oersteen / Bebodemd